Spelen en leren in de onderbouw

In de kleutergroepen werken we vanuit een ontwikkelingsgericht werkplan voor de onderbouw. Dit wordt Basisontwikkeling genoemd. In Basisontwikkeling is spelen fundamenteel. Het spelkarakter is kenmerkend voor het onderwijsaanbod in de onderbouw. Spelen is voor kinderen een manier om deel te nemen aan sociaal- culturele activiteiten in hun omgeving. Het verlangen erbij te horen en mee te doen met de wereld van de volwassenen is hun drijfveer voor ontwikkeling en leren. In deze zin hebben vrijwel alle activiteiten waar jonge kinderen aan deelnemen een spelkarakter. Ook groep 3 biedt thema’s zoveel mogelijk in spelvorm aan.
 
De basisgedachte van Basisontwikkeling  is dat kinderen zich ontwikkelen in de omgang met anderen, als ze deelnemen aan voor hen betekenisvolle sociaal-culturele activiteiten. Interactie is dan ook het krachtigste middel om ontwikkeling te bevorderen. De leerkracht stuurt aan op gezamenlijke aandacht, zoekt aansluiting bij wat een kind bezighoudt en betrekt ook andere kinderen daarin. Zo ontstaat een gemeenschappelijke basis om activiteiten met elkaar vorm te geven en elkaars inbreng te gebruiken. Hierdoor groeit ook de verbondenheid in de groep. Als kinderen zich deel van de groep voelen, zijn er meer mogelijkheden om van elkaar te leren. Centraal in Basisonderwijs staat dat kinderen leren door samen met volwassenen of leeftijdgenootjes activiteiten ondernemen. Hierbij is de “zone van naaste ontwikkeling”  een belangrijk uitgangspunt. Vygotsky, een Russische psycholoog, heeft veel onderzoek gedaan naar hoe kinderen leren. De visie van Ontwikkelingsgericht onderwijs is gebaseerd op zijn leertheorie.
 
De “zone van naaste ontwikkeling”  is het verschil tussen wat het kind al zelfstandig kan en wat het kan met ondersteuning van volwassenen of leeftijdgenootjes. De gedachte achter deze theorie is dat kinderen het meest leren van taken en activiteiten die net een beetje moeilijker zijn dan wat ze al zelf kunnen. Met behulp van een ander kan het kind de taak wel volbrengen.

Bij Basisontwikkeling wordt in de eerste plaats  uitgegaan van drie basiskenmerken: emotioneel vrij zijn, nieuwsgierig zijn en zelfvertrouwen hebben. Dit zijn voorwaarden voor ontwikkeling en leren. Emotioneel vrij zijn heeft te maken met de gemoedsrust waarover een kind beschikt en met zijn welbevinden en betrokkenheid. Zelfvertrouwen sluit hier nauw bij aan. Het gaat om de verwachtingen die een kind van zijn eigen kunnen heeft, om het beeld dat het van zichzelf heeft en of het zich geaccepteerd voelt door anderen. Nieuwsgierig zijn komt voort uit de behoefte om groot te worden, de wereld te begrijpen en als het ware controle te krijgen. Deze basiskenmerken zijn blijvende voorwaarden voor ontwikkeling en leren.
 
Een responsieve houding van de leerkracht is hierbij van groot belang: het op het juiste moment ingaan op de signalen van de leerling en daarbij uitgaan van positieve verwachtingen van die leerling. Dit draagt bij aan een goede hechtingsrelatie en geeft een gevoel van veiligheid. Het versterkt de drang tot exploratie, stimuleert tot zelfstandigheid en schept zelfvertrouwen om nieuwe taken op te pakken.
 
Dan zijn er in de tweede plaats de doelen op het gebied van de brede ontwikkeling. Dit is de persoonlijke ontwikkeling. Eigenlijk bouwen mensen er een heel leven lang aan. Je hebt ze nodig om  op een zinvolle manier aan de samenleving deel te kunnen nemen. Het gaat dan om actief zijn en initiatieven nemen; communiceren en taal; samen spelen en samen werken; zelfsturing, reflectie  en onderzoeken, redeneren en probleem oplossen.

Tenslotte: voor een brede ontwikkeling zijn vaardigheden op diverse terreinen nodig. Dit noemen we specifieke kennis en vaardigheden. Voor jonge kinderen zijn dit bijvoorbeeld de grote en fijne motorische vaardigheden; waarnemen en ordenen. Woordenschat uitbreiden en de woordbetekenissen begrijpen in de context waarin ze gebruikt worden. Sociale vaardigheden zoals je leren aanpassen aan de regels van de groep, eigen wensen en mening naar voren brengen, je op wensen van anderen kunnen richten en zelfredzaam zijn. 

Betekenisvolle activiteiten staan in ons onderwijs centraal. De sociaal-culturele wereld van de volwassenen is voor de kinderen de belangrijkste bron om tot actie, interactie en leren te komen.
De leer- of spelomgeving moet dan ook zoveel mogelijk ‘echt’ zijn ingericht. Ingericht naar het voorbeeld van de ‘echte’ wereld. Op deze manier sluiten we aan bij het betekeniskader en de interesses van het kind.

De aanbieding van activiteiten gebeurt veelal in de vorm van thema’s waarbinnen kinderen betrokken en actief zijn.
Het gaat hierbij om thema’s die voor kinderen interessant zijn en die hen helpen ingroeien in de wereld. Daarnaast gaat het ook om het onderwijsproces waarin kinderen en leerkrachten samen thema- inhouden en activiteiten opbouwen. De keuze van het thema en de inhouden heeft te maken met wat je aan de orde wilt laten komen.
Het thema Post bijvoorbeeld biedt veel mogelijkheden voor geletterdheid en lees- schrijfactiviteiten. Het thema wat nu aan de orde is “ Vogels en andere dieren in de wintertuin ” biedt weer veel mogelijkheden tot onderzoek, tellen en woordenschat vergroting.
Verder is het belangrijk welke betekenissen kinderen aan het thema verlenen: waarin zijn ze geïnteresseerd, wat weten ze er al van?  Weten ze bijvoorbeeld bij het thema over de winter al iets over de seizoenen en hoe ze voor de vogeltjes kunnen zorgen en wat winterslaap eigenlijk is? Hoe houden vogels zich warm en wat trek jezelf aan in de winter als het koud is? Ze genieten er van  om hun nieuwe winterjas, trui of schoenen te laten zien. Nieuwe kleding en schoenen staat nu volop in de belangstelling.
 

We starten een nieuw thema altijd met een startactiviteit om de belangstelling van de kinderen te wekken. Dit doen we bijvoorbeeld middels een prentenboek, een filmpje, of zoals bij het thema “ Vogels en andere dieren in de wintertuin” met een mand met winterspullen om ons te oriënteren op het winterseizoen. De kinderen gaan dan in tweetallen praten over wat ze uit de mand hebben gepakt. Wat is het en waar gebruik je het voor? Kinderen vertellen dit in de kring aan elkaar. De belangstelling is gewekt.
Het activiteitenaanbod wordt uitgewerkt middels zes kernactiviteiten.
Deze activiteiten sluiten aan bij de motieven en mogelijkheden van de kinderen. Ze hebben een hoge ontwikkelingswaarde en dagen kinderen uit. Voor de onderbouw staan er in een thema zes kernactiviteiten centraal: spelactiviteiten, constructieve en beeldende activiteiten, gespreksactiviteiten, lees-schrijf- , reken-wiskunde- , en onderzoeksactiviteiten.  Alle kernactiviteiten in de onderbouw dienen zich aan in een spelvorm.

Hieronder volgt een beknopte uitwerking  van de kernactiviteiten behorend bij  het thema: ” Vogels en andere dieren in de wintertuin ”

Spelactiviteiten
Kinderen imiteren volwassenen tijdens rollenspelen. Op deze manier leren kinderen om betekenissen aan voorwerpen en situaties toe te kennen. De kinderen bepalen zelf de regels van het spel. Meestal vindt dit spel in de huishoek/ themahoek plaats.
We kiezen voor een winterkledinghoek. Net zo als de vogeltjes door hun veren warm blijven, hebben wij ook warme kleren nodig.
Met elkaar bereiden we de winterkledingwinkel voor.
Wat hebben we allemaal nodig? De leerkracht schrijft op wat de kinderen aangeven. We hangen de lijst op het mededelingenbord voor de ouders. Langzamerhand groeit de inhoud van winkel.
Wat moet er verder nog in? De kinderen noemen het hokje met de spiegel  waar je de kleren past: de paskamer. Ook moet er een meetlat komen voor de maat! De kassa, geld natuurlijk,briefjes om een bonnetje te schrijven. De winkel wordt steeds echter! Bij het spel in de winkel komt de zone van naaste ontwikkeling ook volop aan bod. De jongere kinderen leren van de oudere die net weer iets meer weten en kunnen!

Constructieve en beeldende activiteiten                                   
Dit zijn activiteiten, zoals schilderen en bouwen, die met de inzet van bepaalde materialen en middelen tot producten en constructies leiden. Deze activiteiten lijken op de spelactiviteiten maar hebben toch een eigen karakter. Het gaat nu om het laten ontstaan van een product. De vrijheid van handelen is minder groot omdat de materialen het handelen sturen. Op deze foto hebben twee kinderen een vogelhuisje gebouwd in de bouwhoek naar aanleiding van een afbeelding.
 
Gespreksactiviteiten
De  kinderen en de leerkracht hebben samen aan de hand van een mand met winterspullen (concrete materialen) gepraat over het winterseizoen. Middels een woordweb is weergegeven wat de kinderen hebben genoemd. De leerkracht krijgt zo een aardig beeld van wat kinderen al weten over dit onderwerp. Op deze wijze oriënteren we ons op het thema.

Lees- schrijfactiviteiten
Deze activiteiten hebben voor de kinderen bijzonder veel waarde, omdat ze horen bij de wereld waar zij zo graag deel van uit willen maken. Lees- en schrijfactiviteiten zijn van belang om kinderen vertrouwd te maken met de geletterde maatschappij. Daarom zijn deze activiteiten ook altijd betekenisvol voor kinderen. Het maakt het spel voor kinderen interessanter en rijker. Het gaat altijd om functionele lees- en schrijfactiviteiten. Dat wil zeggen dat kinderen de teksten in hun spel gebruiken. Er worden veel winterprentenboeken voorgelezen. Hierbij letten we op de betekenis van nieuwe woorden. Er is een verteltafel van Nijntje in de sneeuw.   
   
     
Reken en wiskunde activiteiten
Wiskunde ligt in alle activiteiten verscholen die zich dagelijks voordoen. Wanneer is bijvoorbeeld de winkel open? Is die trui te groot of te klein? Begrippen als veel en weinig krijgen aandacht bij het voeren van de vogeltjes. Ook leren we de namen van de verschillende vogels in de tuin en we tellen hoeveel we er hebben gezien. De kleding in de winkel moet worden geprijsd.  Als je moet betalen in de winkel krijg je een bonnetje. Er wordt goed  op gelet of het klopt wat je betaalt! Reken- en wiskundeactiviteiten komen net als lezen en schrijven voort uit spel.
 
Onderzoeksactiviteiten
Dit is een belangrijke overgangsactiviteit naar de midden- en bovenbouw. Daar heeft  het zelfontdekkend/ onderzoekend leren een belangrijke plaats. Vooral binnen natuuronderwijs , uitgebreid naar wereldoriëntatie. In de onderbouw gaat het om activiteiten onder de noemer: de wereld in! Onderzoeken hoe het ‘echt’ is. Dit zien we ook terug in de vogel- kijkhut. Binnenkort komt er een vogeldeskundige in de klas uitleg geven en vragen van de kinderen beantwoorden.
 
Wanneer een voederplan is voorbereid komen er langzamerhand allerlei vogeltjes in de kleutertuin.
Tijd om in de vogelhut met de verrekijker te gaan observeren…..        
    
Thematisch onderwijs vindt in veel scholen plaats. Kenmerkend voor Basisontwikkeling is echter in het proces van thematiseren: de samenwerking tussen leerkrachten en kinderen. De essentie is om als leerkracht goed voorbereid aan het werk te gaan en de bedoelingen daarmee duidelijk voor ogen te hebben. En tegelijkertijd aan te voelen wat de inbreng van de kinderen kan zijn en hen uit te nodigen om te leren hun aandeel in de plannen te nemen.